categorie |
publicaties |
|
aanvang |
13-02-2012 |
|
locatie |
Joks Janssen - De veerkrachtige stad, Den Bosch |
Joks Janssen, hoogleraar ruimtelijke planning en cultuurhistorie, Wageningen Universiteit
De veranderende stad in één oogopslag, een kijkje naar de toekomst? Onze interactieve 3D stadskaart: resetthecity.nl
De Nederlandse planningsmachinerie piept en kraakt onder last van de economische recessie. Overal in het land worden grootschalige gebiedsontwikkelingen stilgelegd, bouwstops aangekondigd, gemeentelijke grondbedrijven failliet verklaard, tekorten op grondexploitaties gemeld, publieke investeringen teruggeschroefd, enzovoorts. Van de eens zo kenmerkende dadendrang, van het gehei en gehijg in de ruimtelijke ordening, is weinig meer over. Het grote werk ligt stil. De vette jaren van de hoogconjunctuur zijn definitief voorbij.
Ook in 's-Hertogenbosch maken overspannen ambities en groeiverwachtingen inmiddels plaats voor realisme en nuchterheid. Het grote geld heeft zich uit de ruimtelijke ordening teruggetrokken; de regels van het spel zullen definitief veranderen. Dat heeft alles te maken met het feit dat de economische crisis samenvalt met het inzicht dat de voortdurende kwantitatieve groei zijn grenzen heeft bereikt en dat herontwikkeling de toon gaat zetten. Kenmerkte de ruimtelijke ordening zich in de periode vanaf 1950 vooral door het accommoderen van groei, de komende decennia zal er nauwelijks nog sprake zijn van groei.
Meer dan voorheen zal de ruimtelijke ordening zich moeten richten op het vernieuwen van het bestaand stedelijk gebied. Dat vereist een andere aanpak dan we tot nu toe gewend waren. Als lokale overheid alleen kan deze nieuwe opgave niet meer worden aangepakt. Wil de overheid effectief de (verminderde) eigen en andermans investeringen bundelen, dan zijn nieuwe allianties noodzakelijk. Allianties die vragen om een meer maatschappelijk geëngageerde stedenbouw. Een stedenbouw die zich niet opsluit in zielloze planningsprocedures, maar vanuit emotie en betrokkenheid verbinding zoekt met de stedelijke samenleving. Daaraan heeft het de afgelopen periode wellicht iets teveel ontbroken.
Misschien ook logisch als je de ontwikkelingsgang van de stedenbouw bekijkt. Na de eerste naoorlogse periode waarin de stedenbouw is ‘verstatelijkt', vastgeklonken aan de nationale staat door de regulering van de woningbouw, volgde vanaf de late jaren tachtig van de vorige eeuw een periode waarin de stedenbouw is ‘vermarkt', door marktwerking, privatisering en deregulering. Publieke stedenbouw werd stedenbouw voor het publiek. Vandaag zien we de eerste voorzichtige tekenen van een proces van ‘vermaatschappelijking', waarin de ruimte voor het particulier initiatief toeneemt. Het logisch gevolg is een stedenbouw van en door het publiek.
Dat laatste is in mijn ogen hard nodig om te kunnen bouwen aan ‘veerkrachtige steden', steden die de capaciteit hebben zich aan te passen aan de veranderingen in het stedelijk systeem. Zelfherstel en veerkracht van de stad, zo laat de recente crisis zien, is een cruciale voorwaarde voor het vergroten van de leefbaarheid. Veerkrachtige steden zullen in staat moeten zijn veel economische dynamiek te genereren, ze zullen aantrekkingskracht moeten hebben op burgers en bedrijven, ze zullen hen letterlijk en figuurlijk de ruimte moeten geven. Sociale en economische diversiteit is immers de sleutel tot een veerkrachtige stad. Willen steden in de toekomst overleven, moeten ze veel tegelijk nastreven, dat wil zeggen: ze moeten niet meer van hetzelfde willen, maar ze moeten kwalitatieve groei nastreven, groei in verscheidenheid. Dat vereist een vorm van planning die verscheidenheid stimuleert.
Verscheidenheid stond de afgelopen twintig jaar echter niet op de agenda. Het ging immers om grootschalige productie, die mede door de filosofie van het Vinex-beleid werd aangestuurd. Ruim 800.000 woningen moesten worden gebouwd. Vastgoed en investeerders in dat vastgoed waren, samen met lokale en nationale overheden, sturend voor de planontwikkeling. Van de stedenbouwkundige als ontwerper van deze bouwproductie werd vooral ‘auteurschap' gevraagd: een herkenbaar handschrift in de vorm van een overtuigend beeld of concept.
In ‘s-Hertogenbosch heeft deze aanpak (gelukkig) geresulteerd in een aantal interessante projecten. Ik denk dan bijvoorbeeld aan Haverleij, een uitzonderlijke Vinex-wijk, waarin de bebouwing niet als pindakaas over het weiland is uitgesmeerd, maar geconcentreerd is in nieuwe kasteelachtige bebouwingstypologieën. En ook aan het binnenstedelijke Paleiskwartier, nog altijd een (inter)nationale showcase op het gebied van publiek-private samenwerking. Het zijn dit soort ontwikkelingen geweest die de aantrekkelijkheid van de stad hebben vergroot. Ze zijn beslissend geweest om van een agenda van achterstand, verlies en verval, die de stedelijke politiek van de jaren zeventig en tachtig domineerde, te komen tot een agenda van de krachtige en aantrekkelijke stad. Dat is ‘s-Hertogenbosch bijzonder goed gelukt.
Maar voor de toekomst zijn andere modellen noodzakelijk. Anders dan Vinex vereist transformatie van bestaand stedelijk gebied (met beperkte overheidsmiddelen) een andere vorm van planning en een andere taakverdeling tussen publieke en private partijen. Hoewel er de afgelopen decennia verschillende vormen van samenwerking tussen overheden en marktpartijen in de binnenstedelijke transformatie zijn ontwikkeld, bestaat een dergelijke variatie nauwelijks voor de samenwerking tussen overheden en andere particulieren, zoals burgers. Zij worden doorgaans alleen als woonconsument gezien, als afnemers van een door anderen ontwikkeld product.
Een omslag van institutioneel bouwen van confectiewoningen naar allerlei vormen van bouwen voor en door burgers, van unica op individuele maat, verloopt in Nederland nog altijd moeizaam. Daarbij speelt nog het feit dat particulier opdrachtgeverschap van woningen lange tijd is gezien als iets van het landelijke gebied, niet van de stad. Toch is de Bossche binnenstad ooit via particulier opdrachtgeverschap tot stand gekomen. Maar die traditie is vervangen door een traditie van collectieve planning. Desondanks zijn er voorzichtige veranderingen gaande, die door de huidige omstandigheden zullen worden versterkt. Zo wordt inmiddels in sommige steden op relatief kleine schaal weer via particulier opdrachtgeverschap gebouwd, zoals in Roombeek in Enschede en het Homerus-kwartier in Almere. Toch moet binnen de stedelijke gebiedsontwikkeling op dit punt veel meer mogelijk zijn, zo leert een blik over de grens.
In de Duitse stad Tübbingen bijvoorbeeld is een compleet stadsdeel, het Französische Viertel, ontwikkeld en aan de stad toegevoegd via de actieve rol van zogenaamde Baugruppen: samenwerkingsverbanden tussen burgers. Deze Baugruppen zijn ‘coöperatieven' in de klassieke zin van het woord, die gezamenlijk als opdrachtgevers voor woon- of werkgebouwen functioneren. Zij zijn zeer vroeg bij de ontwikkeling van het gebied betrokken en kunnen daardoor ook invloed uitoefenen op de grootte van de uit te geven kavels. Zo is een levendig binnenstadsmilieu ontstaan, met een grote architectonische variatie, een multifunctioneel karakter, en een menging van nieuwbouw en transformatie van bestaande bebouwing.
Het voorbeeld van Tübbingen toont de kracht van een meer organische planning van onderop. Geen grote masterplannen meer, maar groeien in de tijd. Zulke organische stedenbouw is ook veel beter bestand tegen veroudering. Een belangrijke voorwaarde voor het slagen van dergelijke transformaties is dat de wijken niet met één plan worden ontworpen, maar dat de ontwikkeling wordt gezien als een langetermijnproces, met voldoende ruimte voor flexibiliteit, onverwachte ontwikkelingen en nieuwe initiatieven. Het vraagt om een vorm van stedenbouw die de kracht van de stedelijke samenleving benut om via zelforganisatie innovatieve oplossingen te creëren, om zo te kunnen groeien in verscheidenheid. Lijkt me ook een mooie uitdaging voor 's-Hertogenbosch.
Joks Janssen, hoogleraar ruimtelijke planning en cultuurhistorie, Wageningen Universiteit

archief

